Veelgestelde vragen

Op deze pagina kunt u antwoorden vinden op veelgestelde vragen.




Zijn schoolbesturen verplicht een “vervangingsbeleid” voor leerkrachten op te stellen?

Ja, dit volgt uit de CAO refPO. Het vervangingsbeleid beschrijft hoe de werkgever in het algemeen gesproken doorgaans omgaat met vervanging, wat voor contracten er met vervangers worden gesloten. Bijvoorbeeld: zoveel mogelijk vervanging door eigen personeel, of zoveel mogelijk met behulp van een specifieke vervangingspool, of met tijdelijke benoemingen.

Vervangingsbeleid

Het vervangingsbeleid kan voor onderwijswerkgevers verschillende vragen opwerpen. In dit nieuwsbericht ga ik in op enkele van deze vragen. Het woord ‘vervangingsbeleid’ laat al zien wat dit beleid inhoudt: het beschrijft hoe vervanging bij de werkgever contractueel wordt geregeld met vervangers. 

Schoolbesturen zijn verplicht een vervangingsbeleid te formuleren. Dat blijkt uit artikel 2.1 lid 4 CAO PO 2019-2020 (hierna: CAO PO). In dit artikel staat dat de werkgever een regeling vaststelt ten aanzien van de wijze waarop de kaders voor het vervangingsbeleid worden vormgegeven. Dit moet overigens met positief advies van de personeelsgeleding van de adviesraad. Na vaststelling moet het vervangingsbeleid worden besproken met het team, aldus de CAO.

Artikel 2.1 CAO PO staat in het licht van het meerjarenformatiebeleid en een bestuursformatieplan. Deze dienen voor 1 mei voor het komende schooljaar te zijn opgesteld. Het is logisch ook voor het vervangingsbeleid aansluiting te zoeken bij de datum van 1 mei. Het vervangingsbeleid kan dan worden bijgevoegd bij het bestuursformatieplan.

Het vervangingsbeleid heeft niet echt een vaste opbouw of inhoud. Werkgevers zijn vrij om dit beleid zelf vorm te geven. Het meest logisch is om aansluiting te zoeken bij historische en actuele vervangingscijfers. Vervolgens kan op basis daarvan een plan geformuleerd worden hoe de werkgever omgaat met vervanging. Wordt zoveel als mogelijk gebruik gemaakt van vervangingscontracten voor onbepaalde tijd? Wordt vooral een appèl gedaan op reguliere werknemers (met desnoods een tijdelijke urenuitbreiding)? Wanneer wordt een beroep gedaan op een vervangingspool? Deze en meer aspecten kunnen een plaats krijgen in het vervangingsbeleid. Dit beleid is natuurlijk niet gebeiteld in steen: in concrete gevallen kan de werkgever afwijken. Het is goed om dat ook zo te benoemen.

Het vervangingsbeleid hangt nauw samen met de ketenregeling uit het Burgerlijk Wetboek (art. 7:668a BW) en de toepassing daarvan in de CAO PO. Het is van belang om goed te weten wat de speelruimte is van een werkgever bij het sluiten van tijdelijke contracten.

De ketenregeling houdt (met inachtneming van de uitzondering voor het PO op grond van de CAO) kort gezegd in dat met een werknemer maximaal zes opeenvolgende tijdelijke arbeidsovereenkomsten mogen worden gesloten. Zo wordt een keten opgebouwd. Deze keten wordt doorbroken bij een tussenpoos tussen twee overeenkomsten van meer dan zes maanden. De keten mag in totaal niet langer duren dan 36 maanden (inclusief tussenpozen onder zes maanden). Bij te veel overeenkomsten of een te lange duur ontstaat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

De CAO PO biedt nog een belangrijke uitzondering op de ketenregeling: de vervangingscontracten die specifiek worden gesloten om een zieke werknemer te vervangen tellen niet mee voor de vaststelling van het aantal contracten (wel voor de maximale duur van 36 maanden).

Een logische vraag die opkomt, is hoe het vervangingsbeleid zich verhoudt met het werkverdelingsplan. De CAO PO integreert het vervangingsbeleid in de gesprekken over het werkverdelingsplan (zie artikel 2.2 CAO PO). Dat brengt mee dat het vervangingsbeleid normaal gesproken dus vooraf gaat op het werkverdelingsplan. In het teamgesprek worden de kaders van het vervangingsbeleid besproken (lid 3). In het werkverdelingsplan wordt vervolgens – meer praktisch – de wijze geregeld waarop invulling wordt gegeven aan de kaders voor het vervangingsbeleid (lid 7).

Mag onze IB’er een leerlingdossier delen met een externe deskundige (bijvoorbeeld KOC of Berséba), of moeten ouders daarvoor eerst toestemming geven? En bij het OKR?

Er zijn verschillende gronden op basis waarvan school conform de AVG informatie mag delen. Vooropgesteld: het moet altijd zorgvuldig gebeuren, en niet méér kindgegevens dan nodig zijn. Eén van de gronden waarop dat kan, is: wanneer het nodig is voor de onderwijs- en ondersteuningstaak van de school. Dus het delen van een (gedeeltelijk) leerlingdossier met een externe deskundige is toegestaan zonder dat toestemming moet worden gevraagd. Bij overgang naar het VO (of een andere basisschool) is de toestemming van ouders ook niet nodig bij de overdracht van het onderwijskundig rapport (OKR). Wel moeten ouders vooraf inzage krijgen in wat er wordt overgedragen.

Is ons schoolbestuur nu bestuur of toezicht?

Dat hangt van het gekozen bestuursmodel af, dat blijkt uit de statuten en verdere bestuursregelingen. Veel schoolbesturen werken bijvoorbeeld met een gemandateerd directeur. Dan is de feitelijke ‘bestuursrol’ belegd bij de directeur. De toezichtsrol ligt dan bij het bestuur van de vereniging of stichting. De wet bepaalt in elk geval dat elk schoolbestuur ook een ‘intern toezichthouder’ moet hebben. Maar dat hoeft dus geen aparte ‘Raad van Toezicht’ te zijn.

Mag ons schoolbestuur onbeperkt eigen vermogen aanhouden?

Nee, ten minste niet waar het gaat om middelen uit de overheidsbekostiging. De inspectie kijkt in de jaarrekeningen of het publiek eigen vermogen boven een bepaalde signaleringswaarde uitkomt en kan hierover het gesprek aangaan.