“Artikel 23 mag nooit de vrijheid zijn om slecht onderwijs te geven” Die zin viel tijdens het commissiedebat op 14 oktober in de Tweede Kamer over stichting, sturing en toezicht in het funderend onderwijs. Op het eerste gehoor klinkt dat vanzelfsprekend. Natuurlijk moet ieder kind goed onderwijs krijgen. Maar wie kwaliteit tegenover vrijheid zet, maakt van artikel 23 al snel een verdachte in plaats van een waarborg.
In de Kamer klinkt een stevige roep om meer grip: strengere voorwaarden voor nieuwe scholen, meer invloed voor gemeenten, doelmatigheidstoetsen, geschiktheids- en betrouwbaarheidseisen voor bestuurders, snellere sluiting van zwakke scholen en minder ruimte om kleine scholen open te houden. De aanleiding is begrijpelijk. Er zijn reële zorgen over onderwijskwaliteit, lerarentekorten, huisvesting en het verantwoord besteden van publiek geld. Maar het is een illusie om te denken dat méér overheidsingrijpen garanties biedt voor beter onderwijs.
Kwaliteit en vrijheid zijn geen concurrenten
De tegenstelling tussen kwaliteit en vrijheid is misleidend. Vrijheid van onderwijs betekent niet dat scholen vrij zijn van kwaliteitseisen; ook voor bijzondere scholen gelden de deugdelijkheidseisen. Onderwijsvrijheid betekent dat de overheid niet bepaalt vanuit welke religieuze, levensbeschouwelijke of pedagogische overtuiging goed onderwijs wordt gegeven. De staatssecretaris formuleerde dat tijdens het debat terecht: de overheid bepaalt niet welke visie goed of fout is, maar toetst de kwaliteit van het onderwijs.
Dat onderscheid is wezenlijk. Als segregatie of doelmatigheid namelijk de belangrijkste uitgangspunten zijn, gaat de overheid bepalen welk soort school of type onderwijs gewenst is. Dan toetst de overheid via de inspectie niet langer alleen óf een school goed onderwijs geeft, maar steeds meer ook welk onderwijsaanbod gewenst is. Dat is onwenselijk en doet geen recht aan de onderwijsrechtelijke situatie in ons land, laat staan aan de behoeften en wensen van ouders. Voor ouders die bijvoorbeeld bewust kiezen voor christelijk-reformatorisch onderwijs is een school om de hoek immers niet automatisch een alternatief.
Segregatie als politieke snelweg
Niet alleen de onderwijskwaliteit maar ook het thema segregatie in het maatschappelijk debat wordt aangewend om meer overheidssturing te rechtvaardigen. Ten onrechte, want de evaluatie van de Wet meer ruimte voor nieuwe scholen laat volgens de staatssecretaris juist zien dat de gemeten segregatie-effecten tot nu toe beperkt zijn. In het interruptiedebat tussen Moorman (Pro) en Boomsma (JA21) werd die nuance aangebracht toen Moorman aangaf dat het bij scholen van een bepaalde denominatie nog voorkomt dat het kind van de slager naast het kind van de bankdirecteur zit. Maar de terechte vraag werd neergelegd, hoever kan je daarin als maatschappij gaan? Hoeveel ruimte is er voor minderheden, andere standpunten en eigenheid? Onze indruk is dat onder andere de stichting van de Renaissanceschool en het feit dat vooral islamitische scholen gebruik maken van de wet meer ruimte voor nieuwe scholen bij sommige partijen de reflex van inperken en regie houden aanwakkert.
Besturen is een vak – én een verantwoordelijkheid
Die reflex ontspringt niet alleen op het gebied van identiteit en kwaliteit, maar ook op het gebied van eisen aan bestuur en toezicht. De VGS onderschrijft dat goed bestuur onmisbaar is. Bestuurders dragen verantwoordelijkheid voor onderwijskwaliteit, continuïteit, personeel en identiteit. Professionalisering hoort daarbij. Maar een generieke geschiktheidstoets of een nieuw register kan ook leiden tot verdere juridisering en technocratisering. De kracht van veel schoolbesturen ligt juist in de combinatie van deskundigheid, maatschappelijke verworteling en herkenbaarheid en feeling met ouders en achterban.
De vraag moet daarom niet zijn welke extra eisen de overheid aan bestuurders kan stellen, maar welke ruimte de overheid laat voor het nemen van verantwoordelijkheid. Dat was ook de opbrengst van het rondetafelgesprek van 1 oktober waarin experts op het gebied van onderwijsbestuur aangaven dat vertrouwen tweezijdig is: scholen en besturen moeten zich verantwoorden over kwaliteit en middelen, maar zij mogen ook rekenen op een betrouwbare overheid met consistent, integraal en langjarig beleid.
Kleine school, grote betekenis
Hetzelfde geldt voor kleine scholen. Een kleine school is niet automatisch een zwakke of inefficiënte school. Zij kan het hart vormen van een dorp, wijk of een factor zijn in het in stand houden van een gemeenschap. Fusie of een samenwerkingsschool is niet voor alle scholen een optie en mag dus geen bestuurlijke snelweg worden waarlangs identiteit verdwijnt. Eerst moet duidelijk zijn welk probleem wordt opgelost, wat de gevolgen zijn voor ouders en leerlingen en hoe de eigen richting daadwerkelijk behouden blijft.
Goed onderwijs vraagt om duidelijke deugdelijkheidseisen, degelijk toezicht waar kwaliteit tekortschiet en ruimte om in te grijpen als verbetering uitblijft. Maar het vraagt niet om een overheid die steeds verder binnendringt in de verantwoordelijkheid van scholen en besturen. De wetenschappers in het rondetafelgesprek waarschuwden voor de reflex om vanuit de overheid steeds meer grip te willen krijgen en hamerden juist op vertrouwen in het onderwijs zelf. Bij die oproep sluiten wij ons graag aan: Blijf als overheid bij uw opdracht: bewaak kwaliteit en toegankelijkheid, maar respecteer de vrijheid waarin scholen vanuit hun identiteit hun pedagogische opdracht waarmaken.
Dit bericht is met dank overgenomen van VGS.
Wij helpen u graag!

