Geschreven door: A.R. (Arno) Bronkhorst MME

Van:

  • Reformatorische SWV Berséba (PO0001)
  • Reformatorisch SWV RefSVO (VO0001) 
  • Vereniging Gereformeerd Schoolonderwijs (VGS)
  • Vereniging tot Bevordering van SchoolOnderwijs op gereformeerde grondslag (VBSO)

Wij staan in beginsel positief tegenover het wetsvoorstel Wet maatwerk in het funderend onderwijs. De mogelijkheid om in bijzondere situaties meer ruimte te bieden voor maatwerk kan bijdragen aan het voorkomen van uitval en kan ervoor zorgen dat jeugdigen voor wie het reguliere onderwijs tijdelijk niet passend is, toch betrokken blijven bij onderwijs en ontwikkeling. Tegelijkertijd zien wij een aantal aandachtspunten. Juist omdat het wetsvoorstel nieuwe mogelijkheden creëert rond onderwijstijd, onderwijsinhoud, onderwijslocatie en de inzet van middelen, vinden wij het van belang dat deze mogelijkheden niet onbedoeld leiden tot een ontwikkeling waarbij het feitelijk deelnemen aan onderwijs steeds verder op afstand komt te staan en/of waarbij de vrijheid van inrichting van het onderwijs in het geding komt.

1. Meer ruimte voor maatwerk is waardevol, maar veel is al mogelijk

Een belangrijke vraag is in hoeverre de voorgestelde verruimingen in de praktijk daadwerkelijk nieuw zijn. Ook binnen de huidige regelgeving is al veel mogelijk wanneer dit goed wordt onderbouwd en vastgelegd in het ontwikkelingsperspectief (OPP). Zo kan onder voorwaarden worden afgeweken van de onderwijstijd en kan onderwijs op een andere locatie worden georganiseerd. In de praktijk ervaren wij dan ook niet uitsluitend een gebrek aan wettelijke mogelijkheden, maar soms vooral de behoefte aan duidelijkheid over wat binnen de bestaande kaders mogelijk is. Wij zouden daarom graag zien dat in de toelichting op het wetsvoorstel duidelijker wordt gemaakt welke concrete knelpunten uit de huidige praktijk met de nieuwe wet worden opgelost en welke mogelijkheden feitelijk al bestaan.

2. Maatwerk mag niet leiden tot een normalisering van onderwijs op afstand

Een belangrijker principieel aandachtspunt betreft de verruiming van de mogelijkheden om onderwijs op alternatieve locaties te verzorgen, waaronder thuis en via digitaal afstandsonderwijs. Wij onderschrijven dat een alternatieve locatie soms noodzakelijk en pedagogisch verantwoord kan zijn. Juist bij jeugdigen die dreigen uit te vallen kan een tijdelijke voorziening buiten de reguliere schoolsetting een belangrijke brug zijn. Tegelijkertijd zien wij een risico dat hiermee, hoe goed bedoeld ook, een ontwikkeling wordt gefaciliteerd waarbij een jeugdige steeds langer buiten de school blijft. Daarmee kan een voorziening die bedoeld is als maatwerk om schooluitval te voorkomen of terugkeer mogelijk te maken, in de praktijk veranderen in een alternatief voor deelname aan onderwijs. Wij vinden daarom van belang dat in de wet en de uitwerking daarvan nog nadrukkelijker wordt vastgelegd dat maatwerk:

  • altijd onderdeel is van een duidelijk perspectief op deelname aan onderwijs;
  • tijdelijk en doelgericht wordt ingezet;
  • concrete ontwikkel- en evaluatiedoelen bevat;
  • regelmatig wordt geëvalueerd;
  • en waar mogelijk gericht is op terugkeer naar de eigen school of een andere passende onderwijssetting.

Het uitgangspunt zou naar onze mening moeten zijn: zo veel mogelijk onderwijs, zo dicht mogelijk bij de school, met zo weinig mogelijk afwijking van het reguliere onderwijsprogramma en zo kort als noodzakelijk. Dat is wat ons betreft een belangrijker waarborg dan alleen de constatering dat maatwerk tijdelijk bedoeld is. En dit sluit ook aan bij onze visie op en ambitie met betrekking tot Passend Onderwijs.

3. Voorkom dat onderwijs middelen gaat inzetten voor jeugdzorg

Wij hebben daarnaast zorgen over de voorgestelde mogelijkheid voor samenwerkingsverbanden om maximaal 2,5% van het ondersteuningsbudget flexibel in te zetten op het snijvlak van onderwijs en zorg. Het uitgangspunt dat onderwijs en zorg beter met elkaar moeten samenwerken onderschrijven wij van harte. In de praktijk zien wij echter een fundamenteel risico: wanneer het onderwijs zelf middelen beschikbaar moet stellen voor activiteiten die feitelijk tot het domein van jeugdzorg behoren, wordt een maatschappelijk probleem uiteindelijk opgelost met onderwijsmiddelen. Dat betekent dat middelen die bedoeld zijn voor passend onderwijs niet beschikbaar zijn voor andere leerlingen die ondersteuning nodig hebben. De vraag is daarom gerechtvaardigd of tegenover deze mogelijkheid ook een vergelijkbare inzet vanuit het zorgdomein staat. Als onderwijs maximaal 2,5% van zijn middelen mag inzetten voor activiteiten op het grensvlak van onderwijs en zorg, zou het voor de hand liggen om ook vanuit gemeenten en/of zorgmiddelen structureel bij te dragen aan deze gezamenlijke verantwoordelijkheid. Wij zouden daarom graag zien dat de financiële verantwoordelijkheid van onderwijs en zorg in het wetsvoorstel duidelijker wordt afgebakend en dat wordt voorkomen dat de verruiming feitelijk leidt tot een verschuiving van verantwoordelijkheden en middelen van zorg naar onderwijs.

4. Middelen voor niet-ingeschreven jeugdigen: waardevol, maar wel met een duidelijk perspectief

Wij vinden het positief dat het wetsvoorstel ruimte biedt om middelen in te zetten voor jeugdigen die op dat moment niet bij een school zijn ingeschreven, maar wel onderwijsperspectief hebben. Daarmee kan juist voor een kwetsbare groep een belangrijke verbinding met onderwijs worden behouden of hersteld. Tegelijkertijd vinden wij het van belang dat het niet-ingeschreven zijn geen doel op zichzelf wordt. Het uitgangspunt zou moeten zijn dat het maatwerkarrangement daadwerkelijk toewerkt naar inschrijving en deelname aan onderwijs. Daarom zou naar onze mening bij ieder arrangement voor een niet-ingeschreven jeugdige aannemelijk moeten zijn dat er een concreet en toetsbaar perspectief bestaat op inschrijving binnen een redelijke termijn. Daarbij zou in het maatwerkplan een aantal dingen concreet moeten worden beschreven, zoals:  wat het perspectief op inschrijving is; welke stappen daarvoor nodig zijn; wie daarvoor verantwoordelijk is; binnen welke termijn deze stappen worden gezet; etc. Daarmee wordt voorkomen dat een tijdelijke voorziening voor een niet-ingeschreven jeugdige geleidelijk een structurele situatie wordt zonder duidelijke onderwijsroute.

5. Maak het onderscheid tussen tijdelijk maatwerk en structurele onderwijsalternatieven scherp

Wij onderschrijven het uitgangspunt van het wetsvoorstel dat maatwerk in beginsel tijdelijk is en gericht op terugkeer naar het reguliere programma. Juist daarom vinden wij het belangrijk dat dit uitgangspunt in de uitvoering voldoende betekenis krijgt. Er is een wezenlijk verschil tussen tijdelijk maatwerk binnen een onderwijsloopbaan en een structurele situatie waarin een jeugdige slechts beperkt of niet aan school deelneemt. Wanneer voor een kleine groep structureel maatwerk mogelijk wordt gemaakt, moet daarom bijzonder zorgvuldig worden omschreven wanneer hiervan sprake kan zijn en welke waarborgen daarbij gelden. Wij zouden willen voorkomen dat de uitzondering in de praktijk langzaam de regel wordt.

6. Meer ruimte, maar ook een mogelijke beperking van de vrijheid van inrichting

Het wetsvoorstel biedt scholen en samenwerkingsverbanden meer mogelijkheden om maatwerk te organiseren. Daarbij worden ook voorwaarden en verantwoordingsverplichtingen gesteld. Wij vinden het van belang dat deze voorwaarden voldoende ruimte laten voor scholen om vanuit hun eigen pedagogische, onderwijskundige en levensbeschouwelijke verantwoordelijkheid maatwerk vorm te geven.
In de toelichting wordt de verhouding met de vrijheid van inrichting van het onderwijs benoemd. Vanuit artikel 23 van de Grondwet vragen wij daarom aandacht voor een goede balans tussen enerzijds duidelijke wettelijke waarborgen en anderzijds voldoende ruimte voor scholen om zelf passende keuzes te maken.

Daarbij is het van belang dat de voorwaarden voor maatwerk niet leiden tot onnodig beperkend toezicht op de wijze waarop scholen deze ruimte in de praktijk invullen. De verruiming van de mogelijkheden zou wat ons betreft daadwerkelijk moeten bijdragen aan meer ruimte voor maatwerk in plaats van vooral aan meer verantwoordingslast.

7. Tot slot

Wij ondersteunen de gedachte achter het wetsvoorstel: waar het reguliere onderwijs tijdelijk niet passend is, moet er ruimte zijn om samen met jeugdige, ouders, school en samenwerkingsverband tot een passende oplossing te komen. Tegelijkertijd vraagt juist deze ruimte om duidelijke kaders. Voor ons is daarbij een belangrijk uitgangspunt dat maatwerk nooit mag verworden tot maatwerk in het recht op onderwijs zelf. Het doel moet steeds zijn om de verbinding met onderwijs te behouden, onderwijsdeelname mogelijk te maken of deze zo snel als redelijkerwijs mogelijk te herstellen. 


Wij vragen daarom aandacht voor vier waarborgen:

  1. Onderwijs blijft het vertrek- én eindpunt.
    Alternatieve vormen en locaties zijn een middel om onderwijsdeelname mogelijk te maken, geen doel op zichzelf.
  2. Maatwerk is daadwerkelijk tijdelijk en wordt aantoonbaar geëvalueerd.
    Voor iedere jeugdige moet duidelijk zijn welk perspectief wordt nagestreefd en welke stappen daarvoor worden gezet.
  3. Onderwijs en zorg dragen gezamenlijk verantwoordelijkheid.
    De verruiming van mogelijkheden op het grensvlak van onderwijs en zorg mag niet leiden tot een eenzijdige financiering van zorg vanuit onderwijsmiddelen.
  4. Meer ruimte moet ook daadwerkelijk meer vrijheid betekenen.

Voorwaarden voor maatwerk moeten voldoende ruimte laten voor scholen om vanuit hun eigen pedagogische, onderwijskundige en levensbeschouwelijke verantwoordelijkheid maatwerk vorm te geven. Daarbij moet worden voorkomen dat de voorwaarden aanleiding geven tot onnodig beperkend toezicht.

Met deze aandachtspunten zien wij het wetsvoorstel als een waardevolle stap om voor een beperkte groep jeugdigen meer ruimte te creëren, mits tegelijkertijd voldoende wordt gewaarborgd dat maatwerk daadwerkelijk bijdraagt aan meer onderwijsdeelname en minder uitval, en niet onbedoeld een nieuwe route naar langdurig verblijf buiten het onderwijs creëert.

Wij helpen u graag!

Vertel ons meer...
A.R. (Arno) Bronkhorst MME Bestuurder