Geschreven door: A.R. (Arno) Bronkhorst MME

Staatssecretaris Tielen (Onderwijs) start ‘een verkenning naar de mogelijke concretisering van sociale en maatschappelijke competenties en de vertaalslag daarvan naar de onderwijspraktijk, binnen de grenzen van de onderwijsvrijheid van scholen.’

Dat schrijft de bewindsvrouw in haar brief “Samen bouwen aan het beste burgerschapsonderwijs”. Daarin reageert ze inhoudelijk op de recente evaluatie van de burgerschapswet uit 2021. 

Die wetsvaluatie laat zien dat scholen hun wettelijke burgerschapsopdracht ‘in grote lijnen als duidelijk’ ervaren. Ze ‘worstelen (…) soms nog wel met de vertaling van de wettelijke burgerschapsopdracht naar de praktijk’, schrijft Tielen. ‘Scholen zoeken naar meer houvast bij de invulling van hun burgerschapsonderwijs en naar nadere concretisering, met name van de sociale en maatschappelijke competenties die scholen geacht worden aan hun leerlingen bij te brengen.’ Competenties zijn individuele capaciteiten om kennis, vaardigheden en attitudes te integreren en in te zetten voor het adequaat handelen in uiteenlopende situaties.

Behoefte

De kerndoelen burgerschap zijn ‘een belangrijk eerste antwoord op deze behoefte’, stelt de staatssecretaris. Daar wil ze graag een schepje bovenop doen.

Tielen constateert dat de sociale en maatschappelijke competenties die scholen hun leerlingen moeten bijbrengen ‘nog beperkt’ zijn uitgewerkt. Dat is overigens bewust zo gedaan. In de burgerschapswet staat onder meer dat het burgerschapsonderwijs zich richt op ‘het ontwikkelen van de sociale en maatschappelijke competenties die de leerling in staat stellen deel uit te maken van en bij te dragen aan de pluriforme, democratische Nederlandse samenleving’. 

Wélke competenties dat precies zijn, wordt niet wettelijk voorgeschreven. Te denken valt aan empathie en sympathie, waarheidsgetrouwheid, verdraagzaamheid en verantwoordelijkheidszin.

Werken aan competenties hangt nauw samen met de identiteit van de school; daarom ligt het primaat voor de invullen daarvan ook bij de school. In die lijn heeft de toenmalige minister van Onderwijs bij de behandeling van de burgerschapswet in de Eerste Kamer toegezegd dat de inspectie terughoudendheid zal betrachten bij het toezicht op de sociale en maatschappelijke competenties.

Teken aan de wand

Dat Tielen nu een verkenning start naar mogelijke concretisering van genoemde competenties en de vertaalslag naar de onderwijspraktijk, is een teken aan de wand. Ondanks haar toezegging dat te doen ‘binnen de grenzen van de onderwijsvrijheid van scholen.’

Ook uit andere elementen uit haar Kamerbrief blijkt dat de staatssecretaris de burgerschapsopdracht aan scholen steeds meer inkleedt en daarmee verzwaart. Zo zet ze de komende jaren in op ‘bepaalde groepen in het onderwijs en [op] bepaalde thema’s’. 

Tielen noemt dan onder meer digitaal burgerschap: ‘Steeds meer jongeren verkrijgen hun informatie via sociale media. Algoritmen begrenzen welke informatie jongeren tot zich nemen en deep fakes vervagen het onderscheid tussen echt en nep. Wat zich online afspeelt, komt onvermijdelijk ook de klas in. Neem bijvoorbeeld de manosphere [verzamelnaam voor online infuencers die mannen voorspiegelen dat ze pas meetellen als ze rijk en gespierd zijn, met een mooie, onderdanige vrouw aan hun zijde – Stichting School en Veiligheid]. Recent onderzoek toont aan dat de invloed hiervan steeds vaker merkbaar is op Nederlandse scholen. De online wereld speelt een bepalende rol in de vorming van de belevingswereld van jongeren en dus van hun ‘burgerschap’. Dat vraagt van scholen dat zij hun burgerschapsonderwijs verbreden. 

Democratisch ethos

Dat het kabinet meer werk maakt van burgerschapsonderwijs, was al aangekondigd in het coalitieakkoord. Daarin staat dat D66, VVD en CDA het ‘democratisch ethos’ in de hele samenleving willen versterken. Vrijheid en democratie zijn namelijk ‘niet vanzelfsprekend’; onze democratische rechtsstaat, schrijft Tielen in haar brief, ‘verdient stevig onderhoud’. 

Als VBSO en VGS zouden we het toejuichen als het kabinet – in lijn met de Bijbelse opdracht aan de overheid – juist de groei van het Koninkrijk van Jezus Christus bevordert, en ervoor zorgt dat het Evangelie overal ongehinderd kan worden verkondigd, zodat iedereen God eert en dient op de wijze zoals Hij dat in de Bijbel heeft bevolen (zie artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis). Dat geeft alleen echte vrijheid, (sociale) veiligheid en vrede, 

Voldoende ruimte

Bij de evaluatie van de burgerschapswet is scholen ook gevraagd naar hun ervaringen met het inspectietoezicht. Daarover koppelt Tielen terug dat scholen ‘voldoende ruimte ervaren voor een eigen invulling’ van hun burgerschapsopdracht. ‘Tegelijkertijd komt naar voren dat het voor scholen niet altijd duidelijk is wat er van hen wordt verwacht. Scholen geven aan behoefte te hebben aan een toezichthouder die duidelijk kan maken wat er misgaat en wat beter kan.’ 

Samen met de inspectie kijkt de staatssecretaris ‘hoe er meer helderheid kan komen over de werkwijze bij het toezicht op burgerschapsonderwijs, bijvoorbeeld aan de hand van de onderzoekskaders.’ 

Daarnaast verkent de inspectie met bijvoorbeeld een themaonderzoek hoe zij verdiepend kan kijken naar het onderdeel van de wettelijke burgerschapsopdracht dat toeziet op een schoolcultuur die in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Dit onderzoek richt zich op ervaringen met sociale veiligheid onder leerlingen enerzijds en op dilemma’s en het handelingsrepertoire van leraren anderzijds.

Komend najaar komt Tielen hier bij de Kamer op terug.

Wij helpen
u graag!

Vertel ons meer...
A.R. (Arno) Bronkhorst MME Bestuurder