De gevolgen van de genderideologie voor kerk en school

8 juni 2021
In deze bijdrage is de (verkorte) versie van de lezing opgenomen die door dhr. L. van der Tang (Bijbels Beraad M/V) is gehouden tijdens de VBSO-jaarvergadering op 5 juni 2021.

In deze lezing wil ik hoofdzakelijk drie punten aan de orde stellen, die naar ik meen wezenlijk zijn wanneer het gaat om de betekenis van deze ontwikkelingen voor school en kerk:

  • Leven naar het beeld van Christus: de rol van deugden in christelijke opvoeding
  • Leven in liefde tot de naaste: de gemeente als gemeenschap
  • Leven in een seculiere maatschappij: de noodzaak om helder te zijn in ons spreken

  1. Leven naar het Beeld van Christus: de rol van deugden in christelijke opvoeding

In de huidige maatschappij draait alles om zelfverwerkelijking. De samenleving is daarbij —mede als gevolg hiervan— zeer individualistisch ingesteld geworden. Trueman spreekt in zijn boek ‘The Rise and Triumph of the Modern Self’ in navolging van Charles Taylor van ‘expressief individualisme’ (p. 46). Dit betekent dat een mens betekenis of zingeving in zijn leven vindt door gestalte te geven aan de eigen gevoelens en verlangens. Dit behoort tot wat heet een ‘cultuur van authenticiteit’: ieder mens moet zijn ‘zelf’ vinden en uitleven, in plaats van zich te conformeren aan een keurslijf dat ons wordt opgelegd van buiten, door de samenleving, door voorgaande generaties, of door religieuze of politieke autoriteiten.’

Je hoeft er niet lang en diep over na te denken om je te realiseren dat dit diametraal staat op een Bijbelse visie op ‘zelf’, die stelt dat we een boos en zondig hart hebben. Die Bijbelse visie op wat mij met ons ‘zelf’ aanmoeten is kortweg ‘zelfverloochening’.  Calvijn wijdt in de Institutie (Boek III, hoofdstuk 7), waar het gaat over de wijze waarop wij deel krijgen aan de genade van Christus, welke vruchten daaruit voortkomen en wat dit in ons uitwerkt, een heel hoofdstuk aan deze stelling: ‘De kern van het christelijke leven: de zelfverloochening’, waarna hij een separaat hoofdstuk wijdt aan ‘kruisdragen als deel van zelfverloochening’. Thomas Hooker spreekt in ‘Zelfverloochening en zelfbeproeving’ over zelfverloochening als ‘de eerste belangrijke les van een christen.’

Mannen als Calvijn en Hooker hebben dat natuurlijk niet zelf bedacht. Het is immers Christus Zélf die het ons voorhoudt in Zijn Woord: ‘Zo wie achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op en volge Mij.’ (Markus 8: 34b). En die oproep klinkt veelvoudig in Gods Woord in allerlei toonaarden. Neem ook deze uitspraak van Paulus:‘Doodt dan uw leden die op de aarde zijn, namelijk hoererij, onreinheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid, en de gierigheid, welke is afgodendienst’ (Kol. 3: 5) Die ‘leden die op aarde zijn’ zijn volgens de kanttekeningen: kwade begeerten. Merk op dat het hier gaat over hoererij, onreinheid (volgens de kanttekeningen duidt dit op andere vormen van onkuisheid), schandelijke beweging (gaat o.m. over zonden tegen de natuur, zoals homoseksualiteit).

Dat brengt mij bij een algemeen punt. Vanouds werd in de kerken van de reformatie veel aandacht besteed aan de zogenaamde christelijke deugden. Vier ervan werden al geleerd tijdens de oudheid en zijn al bij Plato te vinden: prudentia (voorzichtigheid), iustitia (rechtvaardigheid), fortitudo (moed), en temperantia (gematigheid). De vroege christenen namen deze deugden over, plaatsten ze in een Bijbelse context en voegden er aan toe: geloof, hoop en liefde. Deugden zou je misschien kunnen omschrijven als een positieve vertaling van de Tien Geboden naar wat de attitude en het gedrag van ieder mens zou moeten zijn. Zelfverloochening vormt de kern van al deze deugden.

Petrus Wittewrongel, in zijn bekende werk, De Christelijke Huishouding, wijdt 700 bladzijden aan de behandeling van christelijke deugden, eerst gerelateerd aan de eerste tafel van de wet, bijv. geloof, hoop, liefde, vreze Gods, ootmoedigheid voor God, zelfverloochening, lijdzaamheid, blijdschap in God, dankbaarheid tot God en hemelsgezindheid. Daarna, gerelateerd aan de tweede tafel der wet: getrouwheid, liefde jegens de broederen, vrede en en het zoeken van eendracht, vriendelijkheid en bescheiden gezeggelijkheid, zachtmoedige verdraagzaamheid, etc. Wilhelmus a Brakel wijdt in zijn Redelijke Godsdienst vijf hoofdstukken aan de bespreking aan een aantal deugden: liefde tot de naaste, nederigheid, zachtmoedigheid, vreedzaamheid, naarstigheid, milddadigheid en voorzichtigheid. Ook een meer recente denker, de apologeet C.S. Lewis, gaat in ‘Onversneden christendom’,waarin hij de kern van het christelijk geloof probeert te beschrijven nadat hij is ingegaan op de vraag wat christenen geloven en toekomt aan de behandeling van christelijke leven, in op de zeven zgn. ‘kardinale deugden’.

Maar nu is mijn vraag aan u en ook aan mijzelf: zijn deze deugden in onze opvoeding, onderwijs en preken niet al tezeer buiten zicht geraakt? En als ‘zelfverloochening’ de kern is van een heilig leven waarin een mens het beeld van Christus vertoont, zoals Calvijn stelt, geldt dit dan niet bij uitstek voor deze ‘deugd van alle deugden’? Oefenen wij onze kinderen hier in? In hoeverre oefenen wij onszelf er in? Zou het niet wezenlijk zijn om dit te doen, juist om staande te kunnen blijven in een maatschappij die alle nadruk legt op zelfexpressie?

Nu hoor ik u denken, ja maar, een mens leert dat toch alleen maar als vrucht van genade? Dat is ook zo! Calvijn, Wittewrongel plaatsen het in deze context. Maar dat betekent niet dat het geen deugden zijn die we onze kinderen moeten leren! Net zoals we hen leren dat ze de Tien Geboden moeten gehoorzamen, zo moeten we hen leren deze deugden te beoefenen. En als de Heere het zegent, zullen onze kinderen er daardoor temeer achter komen dat ze dit uit- en van zichzelf niet kunnen. Maar dat is nu juist de gewone weg van de Heere om een mens aan zichzelf te ontdekken en te bekeren. Dat is dus heilzaam!

Bovendien, ook in uiterlijk opzicht, in het domein van de algemene genade, geldt dat de Heere er Zijn zegen over wil geven wanneer we leven overeenkomstig Zijn geboden. Er is loon in het houden van Gods geboden en in het beoefenen van de deugden. Trouwens, ook bij Gods kinderen gaat het beoefenen van deugden natuurlijk niet vanzelf. Ze hebben door genade een nieuw beginsel gekregen, en de Heilige Geest wil hen veranderen en vernieuwen, maar ook dan geldt dat dit gewoonlijk middelijk gewerkt wordt, en dat vraagt dus veel worstelen, strijden, bidden, zuchten, jagen, hijgen!


  1. Leven in liefde tot de naaste: de gemeente als gemeenschap

Dat brengt mij op een tweede belangrijk punt: de christelijke gemeente als gemeenschap. Ik hoef u niet uit te leggen dat deze notie belangrijk is. Onlangs herdachten we Pinksteren, en het kenmerk van de vroege christelijke kerk in Jeruzalem was dat ze ‘bijeen waren’, alle dingen gemeen hadden, goederen en have verkochten en verdeelden, ‘naar dat elk van node had’ en dagelijks ‘eendrachtelijk in de tempel volhardende’ waren, ‘van huis tot huis brood brekende’ en dat ze tezamen aten ‘met verheuging en eenvoudigheid des harten.’ Dat is het ideaalbeeld van de christelijke gemeente.

Nu zult u in uw gemeente vermoedelijk te maken hebben of krijgen met mensen die worstelen met anders gerichte gevoelens. Dan is het zo ontzettend belangrijk dat ze zich opgenomen weten in de gemeente als gemeenschap. Daarbij wil ik graag wijzen op de grote plaats die vriendschap kan en hoort te hebben in ons leven, en die ook beoefend hoort te worden als onderdeel van de deugd ‘liefde’. Het is mij opgevallen in de verhalen die je leest over mensen met homoseksuele gevoelens die kracht kregen om te leven naar Gods Woord, dat het hebben van vrienden daarin essentieel is. Lees bijvoorbeeld het verslag van Rachel Gilson in haar boek ‘Vernieuwd en overanderd’. Het was een oudere christin die haar in liefde vermaande en ertoe bracht om haar lesbische relatie te verbreken. Het was ook dezelfde vriendin die haar hielp om de weg terug te vinden toen ze opnieuw in zonden viel.

Rachel Gilson wijst in haar boek ‘ook op een ander belangrijk aspect in dit verband. Ze schrijft dat ze aanvankelijk een hoofdstuk over ‘vriendschap’ wilde schrijven, maar ze kwam tot het inzicht dat dit weliswaar belangrijk is, maar dat de relaties in een christelijke gemeente als het goed is verder gaat dan dat. Ze gaat dan in op de bekende woorden van Jezus naar aanleiding van de ontmoeting met de rijke jongeling:

‘En Jezus antwoordende zeide: Voorwaar zeg Ik ulieden: Er is niemand die verlaten heeft huis of broeders of zusters of vader of moeder of vrouw of kinderen of akkers om Mijnentwil en des Evangelies wil, Of hij ontvangt honderdvoud nu in dezen tijd, huizen en broeders en zusters en moeders en kinderen en akkers, met de vervolgingen, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven.’ (Markus 10: 29, 31).

De relatie die bestaat tussen Gods kinderen is er dus een van ‘broeders en zusters’ en de christelijke gemeente hoort een grote familie te zijn. Broers of zussen in een gezin kunnen een relatie hebben die zich kenmerkt door hechte vriendschap,  bijzondere eerlijkheid en grote vertrouwelijkheid, maar heeft geen seksuele dimensie. Het zijn deze relaties die mensen die met homoseksuele gevoelens worsten ook nodig hebben om overeind te blijven en een weg voorwaarts te vinden. Ligt hierin geen belangrijk aandachtspunt voor onze gemeenten, en ligt hier ook geen belangrijke taak voor Gods kinderen in de gemeente? Mensen die niet alleen geoefend zijn in genade, maar die ook levenservaring hebben, kunnen een belangrijke rol hebben voor anderen in de gemeente die psychische nood ervaren, eenzaam zijn, of worstelen met gevoelens.

Let wel, dit is dus iets heel anders dan te stellen dat homo’s vrijelijk uit de kast moeten kunnen komen, zichzelf moeten kunnen zijn, en te doen alsof dat op zichzelf genomen zorgt voor een ‘veilige’ omgeving. In het algemeen ben ik er geen voorstander van zijn dat mensen met homoseksuele gevoelens uit de kast komen op een wijze dat iedereen het weet. Ik denk dat het vaak niet behulpzaam is voor de persoon zelf, omdat vanaf dat moment iedereen die de persoon oppervlakkig kent geneigd zal zijn hem of haar primair te zien als iemand met afwijkende gevoelens, in plaats van de hele mens te zien. Bovendien, als de gevoelens als zodanig ook zondig zijn, dan is dat niet iets om mee te koop te willen lopen. Ik wil overigens voorzichtig zijn om hier een algemene regel te suggereren. Sommige christenen met homoseksuele gevoelens kiezen er na rijp beraad voor om wel geheel open te zijn over hun gevoelens, zoals Rosalia Butterfield en Rachel Gilson, en we kunnen dankbaar zijn dat ze dat hebben willen doen, omdat hun verhalen heel leerzaam zijn. Ze zijn belangrijke identificatiefuguren of rolmodellen.


  1. Leven in een seculiere maatschappij: de noodzaak om helder te zijn in spreken

Bijbels spreken over seksualiteit en identiteit in kerken en op scholen leidt tot grote weerstand en heftige reacties. De Nashville-commotie liet dat zien. Gorinchem en Krimpen a/d IJssel zijn de sprekende recente voorbeelden. Bovendien worden er pogingen gedaan om de vrijheid van onderwijs en zelfs de vrijheid van godsdienst in te perken. Te verwachten is dat de druk door media, lobby-organisaties en overheid de komende tijd verder wordt opgevoerd, op allerlei manieren.

Het is duidelijk dat de Bijbel ons geen ruimte laat om water in de wijn te doen. We kunnen niet anders dan getrouw en gehoorzaam blijven aan wat de Bijbel ons leert. En dat kan en zal ons vermoedelijk wat gaan kosten. We zullen bereid moeten zijn om die prijs te betalen.

Maar we zullen daarbij ook helder moeten zijn in ons spreken. De wetenschap dat dit zomaar kan leiden tot heftige reacties, gecombineerd met gebrek aan kennis, en bovendien gevoelens van ongemakkelijkheid omdat het gaat over zaken waar niet zo lang geleden alleen in verhulde termen over wordt gesproken, maakt dat niet gemakkelijker. Kerken en scholen reageerden in de afgelopen jaren veelal op een van de twee volgende manieren.

Een veel voorkomende reactie is dat er vooral weinig over wordt gesproken. Het onderwerp wordt wel eens aangeroerd in een preek of tijdens een catechisatieles, het wordt besproken op school voorzover het aandacht ‘moet’ krijgen volgens leerdoelen, maar de aandacht is zo beperkt mogelijk. Wanneer er door media gevraagd wordt om reacties, dan wordt er het zwijgen toe gedaan om te voorkomen dat men de vingers brandt. Bovendien is men beducht dat gevoelens juist aangewakkerd kunnen worden door zoveel aandacht te besteden aan het onderwerp.

De andere reactie die vaak voorkomt is dat er vooral heel voorzichtig over wordt gesproken, waarbij er veel aandacht is voor de vraag hoe de boodschap zal overkomen. Er wordt veel nadruk gelegd op het pastorale. Het positieve van huwelijk, gezin en seksualiteit binnen het huwelijk wordt sterk benadrukt. Er wordt veel gedaan aan voorlichting binnen de school en er wordt hard gewerkt aan een veilig klimaat, en er worden mediatrainingen gevolgd om te voorkomen dat dingen op de verkeerde manier worden gezegd. Bijbelse woorden of uitdrukkingen die gemakkelijk verkeerd kunnen worden verstaan, zoals ‘het doden van de zonden’, worden vermeden. Mensen die voor deze aanpak kiezen pleiten vooral voor zorgvuldigheid en vinden dat onnodige commotie te voorkomen moet worden. Ze waren daarom erg ongelukkig met de Nashvilleverklaring, en hadden liever gezien dat ds. A. Kort zijn mond had gehouden, of in ieder geval niet had gesproken over het ‘uitbannen’ van zonden tegen de scheppingsorde.

Inmiddels wordt naar mijn mening duidelijk dat beide benaderingen niet bijzonder goed werken. Het Bijbels denken over deze onderwerpen op zichzelf genomen is de steen des aanstoots, hoe voorzichtig je er ook over spreekt. Het wordt niet meer begrepen en het wekt wrevel. De brief van ds. A. Kort aan de burgerlijke gemeente die activisten bewoog tot actie illustreert het. Hij nam het woord homoseksualiteit in zijn brief niet eens in de mond. Hij sprak over allerlei zonden, waaronder zonde ‘tegen de scheppingsorde.’

Daarom pleit ik ervoor om over dit onderwerp vaker te spreken binnen kerken en scholen, maar ook in de samenleving, en dit in heldere taal te doen, uiteraard zonder nodeloos kwetsend te zijn, en met een bewogen hart. Dit is nu eenmaal in hoge mate ‘het’ front op dit moment. Onze kinderen staan bloot aan voortdurende hersenspoeling door de media – wat natuurlijk een probleem op zich is – maar ze hebben behoefte aan een krachtig weerwoord en positief Bijbels onderwijs wanneer het gaat om de plaats van man en vrouw, huwelijk en seksualiteit.

Daarbij moet niet vergeten worden om aandacht te geven aan de ‘kleine vossen die de wijngaard verderven’ (Hoogl. 2: 15): oneerbare kleding van meisjes, gebruik van voorbehoedsmiddelen, speelfilms inclusief expliciete scenes, etc. Laten we niet vergeten: ook die zaken behoren tot de kern van het onderwerp waar we het vandaag over hebben, en ze kunnen zomaar de opstap vormen naar al die andere vormen van onreinheid en onkuisheid.

Ook moeten we in het algemeen niet mediaschuw zijn. Laat het dan maar zo zijn dat we af en toe wat onbeholpen uit onze woorden komen, maar het is belangrijk dat we hardop zeggen wat we denken. De commotie rondom de Nashville Verklaring had ook iets te maken met het feit dat de samenleving er niet meer aan gewend was dat christenen zich heel expliciet uitspraken. Ds. A Kort gaf onlangs een interview in het Algemeen Dagblad (AD, 22-5). U heeft het misschien gelezen. Hij deed het op zijn manier. Ongetwijfeld heeft hij geen mediatraining gevolgd. Maar het ging prima. Wat mij betreft een voorbeeld om na te volgen.


Afsluitend

Tot slot, we weten het allemaal, uiteindelijk geldt eerst en vooral: één ding is nodig. Dat moet bovenaan staan. Dat is ook van alle tijden. Maar als er ooit een tijd was waarin het zo nodig is dat er een vroege onberouwelijke keuze valt in het leven van onze kinderen was het nu wel.

Hoe kunnen ze anders ooit staande blijven in de strijd tegen de ‘overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht’ (Efeze 6: 12). Allemaal aanduidingen voor de duivel!

Onze kinderen worden gehersenspoeld door de media, en wij erbij als de Heere het niet verhoedt.

Kunnen we hen de wereld van het volwassen leven in laten gaan zonder wapenrusting Gods, hopend dat wanneer de strijd gevorderd is ze dan alsnog de wapenrusting Gods aangemeten zullen krijgen? Is dat niet de grootste dwaasheid! Kunnen we zelf nog een dag langer proberen te strijden tegen deze geweldige machten en krachten, zonder wapenrusting Gods?

Daarom, bid en werk, opdat onze kinderen de Heere vroeg zoeken, in de dagen van hun jongelingschap, eer dat de kwade komen. Onderwijs hen daartoe in de geboden Gods. Leer hen ook deugdzaam te leven. Tracht ze tot Christus te brengen. Leer hen zichzelf te verloochenen, hun kruis op te nemen en Hem na te volgen.

L. van der Tang 
Voorzitter Bijbels Beraad M/V

Overzicht nieuws

Gerelateerd

18 juni 2021

Kwaliteitscertificering Stichting Ds. G.H. Kerstencentrum verlengd

Na onderzoek door certificeringsinstelling CIIO heeft de Stichting Ds. G.H. Kerstencentrum opnieuw verlenging van het ISO 9001-2015 certificaat verkregen voor de periode van drie jaar.

Lees verder
18 juni 2021

Slob: Veiligheid leerling uiteindelijk bepalend

Als de identiteit en voorschriften van de school botsen met de identiteit en de gelijkwaardigheid van leerlingen, ‘dienen we onverkort voor de leerlingen te gaan staan.’ De veiligheid van leerlingen – ook van transgender leerlingen – ‘moet uiteindelijk bepalend zijn.’

Lees verder