Burgerschap op reformatorische scholen

17 december 2019
Deze maand stuurde minister Slob het Wetsvoorstel verduidelijking burgerschapsopdracht naar de Tweede Kamer. Wat houdt het in, en vooral: wat betekent dit voor de ruimte voor reformatorische scholen?

Niet voor niets wordt het ook wel aangeduid met ‘aanscherping burgerschapsopdracht’: het doel is niet alleen om duidelijker te maken waarover het burgerschapsonderwijs moet gaan, maar ook om het voorschrift beter handhaafbaar te maken. Heel kort gezegd wil het kabinet dat scholen wettelijk verplicht worden om voor de volgende vier zaken te zorgen:

  • Bijbrengen van respect voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat;
  • Ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties;
  • Zorgplicht voor een schoolcultuur in overeenstemming met deze basiswaarden;
  • Stimulans voor leerlingen om in de omgang hiermee te oefenen.

N.b.: in dit voorstel staat niet meer de bepaling dat de uitingen van de bij het onderwijs betrokken personen in overeenstemming moeten zijn met die basiswaarden (dit n.a.v. het advies van de Raad van State op de eerdere versie).

Opvallend is dat deze verplichtingen niet alleen moeten gelden voor het bekostigd onderwijs, maar ook voor vormen van particulier onderwijs.

Op school

Nu staat het thema burgerschapsonderwijs al langere tijd in de belangstelling (er stond ook al een minder omvattende bepaling in de onderwijswetten), dus veruit de meeste scholen besteden hier al aandacht aan. Wanneer het huidig voorstel ook wet wordt, zal dit in de praktijk veelal geen belangrijke veranderingen met zich mee behoeven te brengen voor het onderwijsprogramma. Wel is het goed (en dat is uiteraard ook de bedoeling) om aan de bovengenoemde aspecten aandacht te besteden in het schoolplan en kritisch te bezien of het lesprogramma nog wijziging of aanvulling kan gebruiken.

En als algemene aansporing: wees gerust creatief in de uitvoering. Niet alleen een les over de Grondwet, maar ook aandacht voor eenzamen in de wijk hoort bij het bijbrengen van democratisch verantwoordelijkheidsbesef. Of een bezoek aan de gemeenteraad, een les over vervolgde christenen, over de schoolstrijd, over het Wilhelmus – etcetera.

Overigens moet deze opdracht niet worden verward met de inhoud van kerndoelen en curriculum. Naar aanleiding van de resultaten van curriculum.nu gaat de regering nog aan de slag met de kerndoelen. Deze burgerschapsopdracht beoogt een meer algemene basisverplichting te scheppen.

Basiswaarden

Voor reformatorische scholen sluit het vereiste van burgerschapsonderwijs op zichzelf goed aan bij de identiteit, gelet op de Bijbelse roeping om de vrede te zoeken voor onze samenleving, en eerbied te tonen voor de overheid.

Maar de wetgever doet nu meer: er wordt ook een minimale inhoud voorgeschreven voor dit onderwijs: het moet gaan om respect voor de basiswaarden van onze democratische rechtsstaat. Ook daarvan kunnen we zeggen: we onderschrijven onze staatsvorm, en waarderen het goede dat er huist in deze vrijheden en ‘basiswaarden’.

De in het wetsvoorstel genoemde ‘basiswaarden’ vormen echter ook een breed spectrum, en we weten dat er ook politici zijn die daarbij al snel verwijzen naar de acceptatie van homoseksualiteit en transgenderisme. De Memorie van Toelichting zegt hier gelukkig wel iets over. In een eerdere versie hiervan klonk overigens nog de suggestie door dat vrijheidsrechten worden beperkt door het gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod. De Raad van State had onder andere hier kritiek op in zijn advies (en ook bijvoorbeeld maatschappelijke geluiden zoals van de VBSO).

De Memorie van Toelichting stelt nu heel helder dat de onderlinge verhouding van vrijheids- en gelijkheidsrechten verschillend gewaardeerd wordt en dat dat geen probleem is. Ook legt de regering uit dat het geboden respect voor bijvoorbeeld het discriminatieverbod niets toevoegt ten opzichte van wat er al is bepaald in de Algemene wet gelijke behandeling, en in het Wetboek van Strafrecht. Daarbij geldt, heel kort, dat reformatorische scholen die vanuit de grondslag respectvol hun overtuigingen uitdragen, die wetten niet overtreden.

Er is wel een ‘maar’: in de toekomst is de Memorie van Toelichting niet per definitie doorslaggevend voor de interpretatie van de wettekst. Het is dus denkbaar dat de Inspectie en de regering op termijn hetzelfde begrip ‘basiswaarden’ toch nog verder invullen naar de heersende moraal zodat het reformatorisch geluid verdacht kan worden. De toekomst ligt niet in mensenhanden, dus hoeven we niet angstig gestemd te zijn, maar wel is waakzaamheid geboden. En verantwoording, opdat ons land mag horen en zien dat het christelijk geloof een positief staatsburgerschap inhoudt.

Handhaving en Inspectie

Vanzelfsprekend neemt de onderwijsinspectie deze ‘verduidelijkte burgerschapsopdracht’ te zijner tijd mee in het toezicht. Nu bestaat er op dit punt een risico: de bepaling heeft een nogal open karakter (mede een zorgplichtbepaling, die zelfs niet meer voorschrijft dan het zorgen voor een bepaalde “cultuur”…). In eerdere gevallen bleek het gevolg nogal eens dat de Inspectie dan in haar beleidsregels nader specificeerde aan welke concrete criteria – naar het oordeel van de Inspectie – moet worden voldaan voor een positief rechtmatigheidsoordeel op dat punt. Dat leidde dan in de praktijk tot een extra set gedetailleerde regels, terwijl de wetgever juist bedoeld had om de scholen bewegingsruimte te geven in het nakomen van de zorgplicht.

Daar komt in dit geval bij dat de wettelijke burgerschapsopdracht wettelijk om principiële redenen open is gebleven. Een uitdaging aan de Inspectie dus om die openheid volledig intact te laten. Wellicht kan het parlement er nog een rol in spelen om hiervoor waarborgen in te bouwen. En onderwijsbestuurders mogen de durf hebben om hun eigen invulling te geven aan de wettelijke opdracht, ook als die onverhoopt niet helemaal in een toezichtskader past.

Sociale cohesie

Tot slot de vraag: waarom eigenlijk dit wetsvoorstel? Vooropgesteld: burgerlijk verantwoordelijkheidsbesef is belangrijk en het is daarom goed dat scholen hier systematisch aandacht aan besteden. Maar ook dan blijft de vraag waarom deze aanscherping nu komt. Zoveel duidelijk alarmerende signalen van ondermijning zijn er echt niet.

Het wetsvoorstel lijkt vooral een symptoom van de sterkere behoefte aan handhaving van een bepaalde publieke moraal; het waardenrelativisme heeft plaatsgemaakt voor behoefte aan gemeenschappelijke waarden en gemeenschapszin. Nu is een land van ‘los zand’ inderdaad niet duurzaam en democratisch. Tegelijkertijd leven er levensbeschouwelijke minderheden die op onderdelen sterk afwijkende ethische opvattingen hebben ten opzichte van de meerderheid, maar (juist vanuit hun levensbeschouwing) heel betrokken democratische burgers kunnen zijn. Cruciaal in onze rechtsstaat is dat er op het niet-statelijk terrein van het onderwijs vrijheid blijft voor levensbeschouwelijke organisaties.

Auteur: Mr. drs. J. van den Brink, BVD Advocaten

drs. R. A. (Rein) van der Garde
Coördinator bestuurlijk-juridisch advies
Stel een vraag
Overzicht nieuws

Gerelateerd

06 april 2020

Dienstbaar in crisistijd

‘Dienstbaar aan school en gezin’ is de korte samenvatting waarvoor de stichting ds. G.H. Kerstencentrum staat. Het is een duurzame opdracht, van toepassing in verschillende contexten en omstandigheden. Hoe geven we er invulling aan in de huidige corona-crisistijd?

Lees verder
06 april 2020

Bestelling Parallelversie WIG 4. Laatste mogelijkheid!!

Oproep om werkmaterialen voor de parallelversie van WIG4 te bestellen.

Lees verder